+31(0)646171558

Rasstandaard - De Rottweiler

Met rasstandaard wordt eigenlijk de definitie van het ras bedoeld of m.a.w. de kenmerken waaraan de rashond moet voldoen;

De rasstandaard wordt opgesteld door het moederland van het ras, in dit geval dus de kennelclub van Duitsland (Verband für das Deutsche Hundewesen – VDH) en vervolgens overgemaakt aan de FCI (Féderation Cynologique International) die de rasstandaarden bewaart en wereldwijd aan alle bij haar aangesloten (of contractpartners) oplegt.

Geschiedenis;

De Rottweiler rekent men tot de oudste hondenrassen. Zijn oorsprong gaat tot in de tijd van de Romeinen terug. Daar werd hij als herders en veedrijvershond gebruikt.De honden trokken met de Romeinse legioenen over de Alpen, beschermden de mensen en dreven hun vee. In de omgeving van Rottweil kwamen deze honden samen met inheemse honden en vond vermenging plaats. De belangrijkste taak van de Rottweiler werd nu het bewaken en het drijven van het grote vee en de verdediging van zijn baas en diens eigendommen. Van deze Duitse Rijksstad Rottweil kreeg hij zijn naam: Rottweiler slagershond. De veehandelaren (slagers) fokten deze honden alleen op prestatie en bruikbaarheid voor het werk. Zo ontstond in de loop van de tijd een uitstekende herders- en veedrijvershond, die ook als trekhond gebruikt werd. Toen men in het begin van de twintigste eeuw hondenrassen zocht voor de politiedienst, werd ook de Rottweiler daarvoor getest. Al snel bleek dat de hond voor de opgaven in politiedienst gesteld, bijzonder geschikt was. In het jaar 1910 werd hij dan ook officieel als politiehond erkend.

De Rottweilerfok streeft naar een zeer krachtige hond zwart met roodbruine duidelijk begrensde aftekeningen, die ondanks een stoere verschijningsvorm toch adel bezit en die bijzonder geschikt is als begeleidings-, dienst-, reddings- en gebruikshond.

FCI standaard No.147 g. ROTTWEILER 

1. Algemeen verschijningsbeeld van de hond;

De Rottweiler is een middelgrote tot grote, stevige hond, noch plomp noch licht van bouw, niet hoogbenig of iel. Zijn in de juiste verhouding staande gedrongen krachtige verschijning verraadt grote kracht, wendbaarheid en uithoudingsvermogen.

2. Belangrijke verhoudingen;

De lengte van de romp, gemeten van borstbeen tot en met zitbeen knobbel, mag die van de schofthoogte met ten hoogste 15% overschrijden.

3. Gedrag en karakter;

In wezen vriendelijk en vredelievend, is hij aanhankelijk, gehoorzaam en zeer werkwillig. Zijn verschijning verraadt oerkracht, zijn gedrag is zelfverzekerd, evenwichtig en onverschrokken. Hij reageert met hoge opmerkzaamheid maar gelijktijdig rustig op zijn omgeving.

4. Hoofd;

4.1. Schedel;

Middellang, relatief breed tussen de oren, het voorhoofd, van opzij gezien matig gewelfd.

Achterhoofd knobbel: Goed ontwikkeld zonder sterk uit te komen.

Stop: de schedelaanzet is relatief krachtig. Groef in het voorhoofd is ondiep.

4.2. Aangezichtsschedel;

Neusspiegel is goed gevormd, eerder breed dan rond, met in verhouding grote neusgaten, altijd zwart van kleur.

Snuit: de voorsnuit mag in verhouding tot de schedel noch te lang noch te kort lijken.   De verhouding tussen de lengte van de voorsnuit en deze van de schedel bedraagt ongeveer 1 tot 1,5.  De neusrug is recht, met brede aanzet en naar voren toe slechts weinig smaller toelopend.

Lippen: zwart, strak aanliggend, mondhoeken gesloten tandvlees zo donker mogelijk.

Kaken / gebit : krachtige, brede boven- en onderkaak. Gebit: sterk, en volledig (42 tanden en kiezen), de snijtanden van de bovenkaak sluiten scharend over die van de onderkaak.

Wangen: jukbeenderen duidelijk zichtbaar.

Ogen: middelgroot, amandelvormig, donkerbruin van kleur, oogleden goed aansluitend.

Oren: middelgroot, hangend, driehoekig, ver uit elkaar staand, hoog aangezet. De schedel lijkt door de naar voren hangende, goed aanliggende oren breder.

5. Hals;

Krachtig, matig lang, goed gespierd met een licht gewelfde neklijn, droog, zonder wammen of losse keelhuid.

6. Romp;

Rug: recht, krachtig, vast.

Lendenpartij kort, krachtig en diep.

Kruis: breed, middellang en verloopt met een flauwe ronding, noch recht noch sterk hellend.

Borst: ruim, breed en diep (ca 50% van de schouderhoogte) met goed ontwikkelde voorborst en goed gewelfde ribben.

Onderbelijning en buik: in de flanken niet opgetrokken.

Staart: in natuurlijke staat, krachtig, horizontaal gedragen in het verlengde van de bovenbelijning; tijdens opmerkzaamheid, opwinding of gedurende beweging mag de staart ook licht gebogen opwaarts gedragen worden.   In rust mag de staart neerhangend gedragen worden.  Naast het been gepositioneerd reikt de staart ongeveer tot het hakgewricht of iets langer.

7. Ledematen;

7.1. Voorhand;

Algemeen: de voorbenen zijn van voren gezien recht en niet nauw geplaatst. De onderarmen staan van opzij bezien recht. De hoek tussen schouderblad en een horizontale lijn is circa 45 graden.

Schouders: goed geplaatst.

Bovenarm: goed tegen het lichaam liggend.

Onderarm: krachtig ontwikkeld en gespierd.

Middenvoorvoet: licht verend, krachtig, niet steil.

Voeten: rond, tenen goed gesloten en gewelfd, voetzolen hard, nagels kort, zwart en sterk.

7.2. Achterhand;

Algemeen: van achter bezien zijn de achterbenen recht en niet nauw geplaatst. In natuurlijke stand vormen dijbeen en heupbeen, dijbeen en onderbeen en onderbeen en middenvoet een stompe hoek.

Dijbeen: matig lang, breed en sterk gespierd.

Onderbenen: lang, krachtig en breed gespierd, pezig.

Hakgewricht : Krachtig, die goed gehoekt zijn en niet steil.

Voeten: iets langer dan de voorvoeten, eveneens goed aangesloten, gewelfde sterke tenen.

8. Gangwerk;

De Rottweiler is een draver. De rug blijft vast en relatief rustig. de uitvoering van de beweging is harmonisch, zeker, krachtig en soepel, met ruime drafpassen.

9. Huid;

Hoofdhuid: ligt overal strak en mag bij hoge oplettendheid lichte rimpels vormen.

10. Beharing;

10.1. aard van de vacht;

Bestaat uit dekhaar en onderwol = Stockhaar.   Het dekhaar is middellang, hard, dicht en strak aanliggend. De onderwol mag niet door het dekhaar heenkomen. Aan de achterbenen is de beharing iets langer.

10.2. Kleur;

Zwart met goed begrensde aftekeningen (brand) van een warme, roodbruine kleur aan wangen, snuit, onderzijde hals, borst en benen, alsmede boven de ogen en onder de staartwortel.

11. GROOTTE EN GEWICHT;

REUEN:                                                    TEVEN:

61 tot 68 cm,                                           56 tot 63 cm,.

61-62 = klein,                                          56-57 = klein,

63-64 = middelgroot,                              58-59 = middelgroot,

65-66 = groot – juiste grootte,                60-61 = groot – juiste grootte,

67-68 = zeer groot.                                 62-63 = zeer groot.

Gewicht reuen: ca. 50 kg                       Gewicht teven; ca 42 kg